Problemen met de toren (1650-1660)

Intussen waren er grote problemen ontstaan met de verzakkende toren van de Bovenkerk. Ook het orgel liep gevaar omdat het gewelf boven het instrument begon af te brokkelen. Er volgde een range reeks maatregelen die echter geen van alle veel zoden aan de dijk zetten: in 1651 werd het gewelf boven het orgel gerepareerd, in 1652 werd het gewelf in de toren vervangen door een houten zolder en werd geadviseerd de klokken niet meer te luiden. Toen aan het eind van de jaren 1660 het overhellen tot maar liefst drie meter westwaarts was gevorderd werd besloten tot ingrijpende maatregelen. Zie ook bij Toren.

Verplaatsing orgel resulteert in nieuwbouw (1669-1679)

Plattegrond van de Bovenkerk met bij (1) de plaats van het orgel van 1669-1687 (noorderportaal) en bij (2) de plaats van het orgel voor 1669 en na 1687 tot heden (torenwand)

Eerst moest echter het orgel worden verplaatst naar het noorderportaal, om precies te zijn naar de hoek van het koor aan de zijde van de Oudestraat. Orgelmaker Johan Slegel begon in 1669 met het karwei. Er werden balken gehaald en er werd een vloer voor het orgel gebouwd, waarop de kasten van het orgel konden worden geplaatst.

Tijdens dit werk zal Slegel samen met de organist Hendrik van Benthem “de jonge” het voorstel hebben uitgewerkt om in de bestaande kasten een geheel nieuw orgel te bouwen met nieuwe windladen, maar met gebruikmaking van de vijf bestaande houten blaasbalgen en het nog goed bruikbare pijpwerk. Hiervoor werd “het model ende gront tot den Orgel gemaeckt”. Het stadsbestuur ging akkoord met dit idee en Schepenen en Raden sloten op 15 maart 1670 een overeenkomst met Slegel waarin de uitvoering werd geregeld. In 1675 werd het contract uit 1670 nog aangevuld. Aan de hand van dit contract, dat bewaard is gebleven, kan worden nagegaan hoe het orgel er na de aanpassing uitzag. Hoewel hier en daar een voorbehoud gemaakt moet worden, was de dispositie toen waarschijnlijk als volgt dispositie 1670.

Cis-kant van de hoofdwerklade (Windlade van Hinsz met veel pijpwerk van Johan Slegel 1676)

De werkzaamheden duurden veel langer dan gepland, vooral door de inval van Franse, M√ľnsterse en Keulse legers in ons land in 1672 (het Rampjaar). Kampen werd in juni van dat jaar bezet door M√ľnsterse troepen die na korte tijd werden afgelost door Franse eenheden. De Bovenkerk en de Broederkerk kwamen voor korte tijd weer in rooms-katholieke handen. In 1676 kwamen de werkzaamheden aan het orgel echter weer op gang. Ook werden toen “ter conservatie van ’t nieuwe orgel” de ramen aan de zijkant van het instrument met een halve steen dichtgemetseld. Drie jaar later was Slegel vermoedelijk gereed: in de rekening over dat jaar staat een uitgave vermeld “voor drie canne wijn nae het besichtigen van ’t orgel in de bovenkercke”. Vermoedelijk was het orgel echter al wel eerder bespeelbaar, want na het vertrek van organist Hendrick van Benthem in 1673 werd niet gewacht met het benoemen van een opvolger en werd de bekende Amhemse organist, componist en musicus Gijsbert van Steenwijck aangetrokken. Uit latere gegevens zou kunnen worden opgemaakt dat het orgel in de jaren tachtig van de zeventiende eeuw er anders uitzag, dan in het contract met Slegel staat beschreven. We weten echter niet of het hier gaat om veranderingen welke door Slegel zelf zijn aangebracht of om wijzigingen van Apollonius Bosch (zie hierna).

Verplaatsing Slegel-orgel (1686)

Deze tekening van het orgel in de Bovenkerk geeft aan hoe de situatie geweest zou kunnen zijn omstreeks 1687. Het orgelfront met de luiken is getekend naar een voorbeeld uit de zestiende eeuw. Links en rechts de schetsen van de schildering tegen de torenwand.

Op 2 September 1686 volgde het besluit om het orgel weer op zijn oude plaats bij de toren terug te zetten: “niet alleen tot cieraet van de kercke, maar oock voornamentlick tot beter resonantie”. Uit de archieven blijkt niet wie het orgel verplaatst heeft. Recentelijk zijn er echter onderzoekingen gedaan naar het pijpwerk en is men tot de conclusie gekomen, dat de werkzaamheden van 1686-1687 vermoedelijk zijn verricht door orgelmaker Appolonius Bosch, die ongeveer tezelfder tijd in de Grote Kerk in Vollenhove een nieuw orgel bouwde.

Het is niet ondenkbaar, zoals verderop wordt verklaard, dat het orgel tijdens de verhuizing ook tamelijk ingrijpend werd veranderd. Vast staat dat het in 1687 ook werd voorzien van snij- en beeldhouwwerk.”

Vermoedelijk dateren de muurschilderingen, die zich nu nog ter weerszijden van het orgel op de wand bevinden, eveneens uit die tijd. De schilderingen tonen de contouren van de oude orgelkast en de plaats van de toen bestaande orgelvloer.

Uit ‘Orgels en organisten in Kampen’ – W.D. van der Kleij en W.H. Zwart (1995). Met toestemming van uitgeverij IJsselacademie uit Kampen overgenomen. Het boek is nog te koop o.a. via hun website: www.ijsselacademie.nl.