Deze pagina geeft een overzicht van alle organisten die in de loop der eeuwen verbonden zijn geweest aan de Bovenkerk. De organisten uit de vóór-reformatorische tijd kunnen worden ingedeeld in twee groepen. Ten eerste waren er de organisten die werden aangesteld door de kerkmeesters met de goedkeuring van het stadsbestuur. Meestal werden zij aangeduid met de titel “meister”. De tweede groep werd gevormd door de priesters die in dienst waren van een altaar dat behoorde bij een Memorie, Broederschap of Gilde. Zij werden “Heer” genoemd, al was men daar blijkens de hierna volgende opsomming niet erg consequent in.

Later werden beide groepen van officianten benoemd door het stadsbestuur, dat het recht van benoeming of collatie naar zich toetrok. Bij het hierna volgende overzicht moet worden bedacht dat het na zoveel eeuwen niet altijd mogelijk is om aan te geven in welke kerk of kapel een organist in functie was (we weten zelfs niet precies hoeveel orgels er aan het eind van de Middeleeuwen in de stad waren). Wie van de in de archieven genoemde organisten precies waar speelde is voor wat betreft de periode vóór de Reformatie veelal onduidelijk.

Overzicht van organisten

Nicolaus Koleman (circa 1403)

In het Kamper Burgerboek werd hij in 1403 ingeschreven als organist.

Ludeken Roelofsz (circa 1470)

Hij staat in de archieven vermeld als “organista’. Op 14 januari 1465 en later, omstreeks 1470, werd hij genoemd onder de priesters die solliciteren naar de bediening van de St.- Geertruidskapel

Heer Melio (circa 1474)

Staat in 1474 vermeld als “de organijsta”.

Meister Joergen (circa 1476)

Staat in 1476 genoteerd als “orgelijst”.

Heer Berent (circa 1477)

Werd in 1477 omschreven als “de orghaniste” (zie ook Berent van Wesell, circa 1496).

Heer Luyken (circa 1483)

Wordt in 1483 genoemd als de inmiddels overleden organist van de Heilige Sacramentsmemorie. Uit hetzelfde stuk blijkt dat er ook vóór hem al organisten in dienst waren van deze memorie (zie Meester Jacob van Zyll).

Meester Jacob Zyll of Her Zill (circa 1483)

Hij was organist van het Heilige Sacramentsmemorie, zoals blijkt uit een overeenkomst uit 1483, waarin gezegd wordt, dat hij “wegen syne dachlixe presencie offte loen gelyck salige Heer Luyken ende andere sijne voirvaderen geboirt hebben”. Uit een aantekening van twee jaar later blijkt dat Jacobus Zyl vicaris was, dat wil zeggen houder van een vicarie (jaarlijkse rente uit geestelijke goederen als tegenprestatie voor regelmatig te verrichten geestelijke handelingen door een priester).

Berent van Wesell (mogelijk van circa 1477 – circa 1500)

Deze organist van de St.-Nicolaaskerk werd op 13 januari 1496 door de kerkmeesters “weder angenoemen” voor drie jaar, zodat duidelijk is dat hij al langer in dienst was. Uit de uitdrukking “voor drie jaar” volgt dat er toen een meer geregeld dienstverband was. Het is niet ondenkbaar dat hij dezelfde persoon was als “Her Berent” die genoemd werd in 1477.

Reyner Bogerman (circa 1500 – circa 1520)

Reyner Bogerman, afkomstig uit Dokkum – in het boek van de St.-Cuneramemorie werd hij in 1500 ingeschreven als “Meester Reiner Bogerman orghelist van Dockum” – was tevens stadssecretaris. In een brief van 24 december 1505 werd hij door de Kamper magistraat aangeduid als “onsen Secretarium ende organist”. De functie van stadssecretaris vervulde hij twee keer, van circa 1500 tot 1514 en van 1520 tot 1533. Bogermans zegel, bewaard gebleven aan een brief de dato 4 juni 1518, bevat onder andere drie orgelpijpen. Bogerman werd ook wel gevraagd als orgeldeskundige. Zo trad hij bijvoorbeeld in 1509 op als keurmeester bij de keuring van het orgel in de St.-Jacobikerk te Utrecht.

Meester Jan de Vos van Mechelen (circa 1520 – circa 1525)

In 1522, 1523 en 1524 wordt een meester Jan of Johan genoemd, die waarschijnlijk organist was van de St.-Nicolaaskerk, aangezien in deze jaren iemand anders organist was van de Onze Lieve Vrouwe- of Buitenkerk.  Als dit inderdaad het geval was, is hij de laatste organist van het oudste grotere orgel of speelde hij uitsluitend op het kleinste orgel. In 1523 was immers een nieuw groot orgel gereed gekomen, gebouwd door Johan van Kovelens. Vermoedelijk was meester Jan of Johan dezelfde als Meester Jan de Vos van Mechelen, die sinds 1527, toen zijn .”huysraet” naar Kampen kwam, zangmeester was van de Sint Nicolaaskerk. Dit vermoeden wordt bevestigd door het feit dat hij in 1529 en 1530 nog salaris uitbetaald kreeg “wat hye ten achteren was by syn tyt hye orgellist was”. Hij werkte veel samen met Willem Andriessen (zie hierna). In 1571 maakte hij een besloten testament. Hij overleed in 1574.” (Zie ook Rombout van Mechelen, 1549-1560).

Meester Dubbelt Dubbeltsz. (1526-1548/1560)

De in 1526 aangestelde meester Dubbeltsz. was vermoedelijk de eerste organist die speciaal voor het kort tevoren gereed gekomen nieuwe grote orgel werd aangesteld. Hij had ook een taak bij het in orde houden van de orgels. Zo reisde hij in 1532 tweemaal naar Amsterdam om de orgelmakers te halen. In 1539 gebeurde dit nogmaals. Ook bij de reparatie van het orgel in 1547-1548 komen we zijn naam tegen. Dubbeltsz. werd in 1547 stadssecretaris. De combinatie organist – secretaris, die ook bij Bogerman was voorgekomen, bracht met zich mee dat hij niet steeds aanwezig kon zijn om, wanneer dat nodig was, op het orgel te spelen. Daarom moest hij een plaatsvervanger aanstellen. In 1549 werd dat “Romboldo”, de zoon van de eerder genoemde Meester Jan de Vos van Mechelen. In de rekening van de kerkmeesters van de St.-Nicolaaskerk over 1549 staat vermeld “tot mester Dubbelts huis in de harreberge”, uit welke passage zou kunnen worden opgemaakt dat hij tevens herbergier was. Meester Dubbeltsz. overleed in 1560.

Rombout [de Vos van Mechelen] (1549-1560)

De vervanger van Dubbeltsz., ook wel Romboldus of Romboldo genoemd, ontving als salaris 48 herenpond plus & herenpond voor huishuur per jaar. Hij en zijn broer Hendrick waren zonen van Rombout de Vos die voor 20 juni 1543 overleed. Mr Johan de Vos, de “sanckmeister”, was momber (= voogd) van deze kinderen. Rombout de Vos van Mechelen bleef tot zijn overlijden in 1560 in functie. Hij werd begraven in de kooromgang van de Sint Nicolaaskerk.

Meester Jacob Borchartsz. (1560-1564)

Na de dood van Rombout stelde Meester Dubbeltsz. Meester Jacob aan als plaatsvervanger. In de overeenkomst werd bepaald dat deze “dat vurss. Orgel bewaren sall drei jaren durende stede ende vast ende jaerlix daervan genieten alle die profeyten ende opcomsten die z[aligel. Mr. Ro[mbolt]. daervan pleget to hebben”. Uit een aantekening in het Momberhoek in 1564, waarbij Meester Albert Maier (jacobsz.) na het overlijden van Borchartsz.’ vrouw tot voogd werd verklaard over het minderjarig dochtertje van Borchartsz., blijkt dat hij toen nog steeds organist was.

Meester Willem Andriessen (1565-1608)

Uit zijn aanstellingsbrief van 4 februari 1565 blijkt, dat hij nog niet direct als organist in functie trad. Hij moest eerst een jaar lang in de leer gaan bij een “experten meister ende organist” om “wel ende bequamelijck toe leren spoelen”. Heer Goessen van Voerst zou dat jaar waarnemen. Na de genoemde leertijd zou hij dan voor drie jaar benoemd worden op dezelfde voorwaarden als zijn voorganger Jacob Borchartsz., waarna hem een beter tractement in het vooruitzicht werd gesteld. Blijkbaar had hij zijn leertijd goed besteed, want hij bleef zeer lang organist van de St. Nicolaas- of Bovenkerk. Hij moet daarbij ook plooibaar zijn geweest, want zowel in de tijd van de bezetting door graaf Willem van den Berg als in de periode van Rooms-Katholieke restauratie van 1572-1578 en in de tijd van de Hervorming na 1580 bleef hij als organist op zijn post. Daarbij bleef hij katholiek. Gedurende het bewind van Van den Berg (11 augustus tot 19 november 1572) was zijn positie echter onzeker. Wellicht was gedurende enkele maanden Gerrit Lucasz., later organist van de Heilige Geest Gasthuiskerk en de Broederkerk, de ‘officiele’ organist. In de rekeningen van de kerkmeesters van de St.-Nicolaaskerk komen we Andriessen voor verschillende posten tegen, samen met Heer Jan (priester van de vicarie van St.-Marie in de Bovenkerk en organist van de Buitenkerk). Zij repareerden bijvoorbeeld het kleine orgel en deden kleine herstellingen aan het grote. Na de dood van de zangmeester Jan de Vos van Mechelen in 1574 nam Willem Andriessen een aantal jaren diens post waar. In 1581 gingen Heer Jan en Willem naar Zwolle om orgelmakers te verzoeken naar Kampen te komen om het orgel in de Bovenkerk te repareren. Andriessen overleed in 1608.

Johan Thijssen of Jan Matthijsen (1609-1612)

Johan Thijssen of Jan Matthijsen werd in 1587 of 1588 geboren. In de Kamper rekeningen komt hij voor als Thijssen, in andere bronnen als Matthijsen. Voor zijn taak als organist van de Bovenkerk ontving Thijssen jaarlijks 160 gulden en voor het stemmen 5 gulden. In 1612 kreeg hij nog één kwartaal uitbetaald. Zijn vertrek hangt samen met zijn benoeming op 9 januari van dat jaar tot organist van de Grote- of St.-Clemenskerk te Steenwijk. Hier kreeg hij 200 gulden per jaar en “vrij wonen”. Thijssen was in Steenwijk ook schoolmeester. In 1625 kreeg hij samen met zijn broer Gerrit het “benefice” van de nalatenschap van hun moeder, Derkien Malers Wysemoer. Johan Thijssen overleed te Steenwijk op 24 december 1636.

Meester Arent Jansen van Munster (1612-1618)

Er moet voor de functie van organist aan de Bovenkerk een interimperiode geweest zijn, daar we in de rekeningen gedurende de jaren 1612-1618 naast de organist voor de Broeder- en de Buitenkerk geen andere organist tegenkomen. Deze organist, meester Arent Jansen van Munster, nam ook de dienst in de Bovenkerk waar. Het is niet onmogelijk dat dit samenhangt met de godsdiensttwisten die tijdens het twaalfjarig bestand plaatsvonden. Ook is hier wellicht van betekenis dat de stad op 21 februari 1611 bij resolutie besloot dat de geestelijkheid voortaan met de uitbetaling van de traktementen van de organisten werd belast.

Cornelis Jansen (1618-1664)

Deze organist, mogelijk de zoon van klokkenist of “beyerman”, Johan Cornelissen, had een drieledige functie: organist, klokkenspeler en bazuinspeler. Voor zijn organistschap ontving hij in 1632 140 gulden. Zijn totale traktement werd in 1634 verhoogd van 250 naar 300 gulden per jaar omdat hij met twee anderen drie maal per week een half uur een “blaasconcert” moest geven vanaf de stadhuistoren. Jansen speelde daarbij bazuin, de andere twee “cinke” (in dit geval vermoedelijk een soort trompet) en schalmei. Uit de beschikbare gegevens blijkt hoe zwaar en gecompliceerd een organistenbetrekking in die tijd was. Van stadswege werd veel gedaan om het publiek te vermaken met orgel- en klokkenspel en met bazuingeschal. Overigens was de kerkenraad niet altijd tevreden over de levenswandel van de organist. Van de vergadering van 12 januari 1635 werd in de notulen genoteerd:

“Is ingebracht dat d’organist van de bovenkerck niet alleen uit het gehoor van gods woordt blijft, maer oock dat hij taback drinckt ende de kerck met stanck vanden taback vervult; is goet gevonden dat d’Achtb. Mag. hem daerover gelieve te censureren”.

Tijdens het organistschap van Cornelis Jansen werd begonnen met de renovatie van het orgel. In 1664, na 46 jaar, werd Cornelis Jansen als organist van de Bovenkerk vervangen door Hendrik van Benthem “de Jonge”. Blijkbaar werd de oude organist hierna een soort pensioen gegund, want over de jaren 1664-1672 werd hem nog salaris uitbetaald: over 1664 bedroeg dat 225 gulden en over de jaren 1665-1672 200 gulden per jaar.

Hendrik van Benthem “de Jonge” (1664-1673)

Hendrik van Benthem “de Jonge” was afkomstig uit Zutphen. Hij was een zoon van Arent of Arnoldus van Benthem, organist van de Sint Walburgiskerk aldaar en broer van diens opvolger Theodorus van Benthem. Hendrik werd bij resolutie van Schepenen en Raden van Kampen van 6 februari 1664, aangesteld als organist van de Bovenkerk en tegelijk als klokkenist op het nieuwe Hemony-klokkenspel inmiddels hangend in de toen zeer nieuwe ‘Nieuwe Toren’. Zijn oom, Hendrik van Benthem “de Olde”, de organist van de Broederkerk, was bij zijn benoeming aanwezig. Zijn salaris voor deze functie bedroeg 450 gulden met vrij wonen, op voorwaarde dat hij twee maal per dag het klokkenspel bespeelde. Met kerstmis 1664 werd hij ingeschreven als lidmaat van de Gereformeerde Kerk. In april 1666 trad hij in het huwelijk met de Amsterdamse Lysbeth van Ceulen. Uit dit huwelijk werden in Kampen vier kinderen geboren: Arent (1666), Hendrik (1667), Christina (1669) en Cornelia (1671). Halverwege 1673 vertrok hij naar Amsterdam, waar hij suppoost werd. Wat de reden voor zijn vertrek was, is niet geheel duidelijk. Wellicht hangt het samen met de algehele restauratie van het orgel in de Bovenkerk – zijn salaris werd in deze tijd gehalveerd, omdat hij nog slechts als klokkenist werkzaam was – of ook met de Franse bezetting. In 1681 kwam hij nog een keer naar Kampen terug bij de verkoop van het huis uit de erfenis van zijn oom. Hendriks dochter Cornelia trouwde met de wijnkoper Jodocus Revius uit Deventer.

Gijsbert van Steenwijck (1673-1679)

De uit Amhem afkomstige Gijsbert, die in 1663 lid was geworden van het aloude Collegium Musicum te Arnhem en in oktober 1665 was benoemd tot organist en klokkenist aldaar, was vermoedelijk een zoon van Nicolaas Steenwijck, die in 1648 organist was in Arnhem. Bij zijn komst naar Kampen kreeg Van Steenwijck een salaris van 500 gulden toegewezen. Waarschijnlijk was hij toen overigens al op leeftijd. Van Steenwijck zal eerst voornamelijk als klokkenist zijn opgetreden, daar het orgel in 1673 vermoedelijk nog niet klaar was. Hij was een begaafd musicus en componist. Er zijn nog enkele composities van zijn hand bewaard gebleven. In 1674 werd Van Steenwijk burger van Kampen. Op 20 augustus 1679 werd hij begraven in de Bovenkerk.

Johannes Kempher (1679-1691)

Deze in Hoorn geboren organist kwam in 1677 vanuit Monnikendam naar Kampen bij zijn benoeming tot organist van de Broeder- en de Buitenkerk. In 1679 volgde hij Van Steenwijck op als organist van de Bovenkerk. Zijn tractement liep tijdens zijn organistschap op van 350 tot 500 gulden per jaar. In September 1678 werden hij en zijn vrouw, Allegunda Bürghgraeff ingeschreven als lidmaten van de Gereformeerde kerk. Vier maanden later werd hij ook burger van de stad Kampen. In 1688 huwde hij voor de tweede maal, nu met Pieternella Stellingwerf uit Blokzijl. Kempher fungeerde tevens als klokkenist. In 1684 kreeg hij het aanbod organist in Hoorn te worden. Door verhoging van zijn salaris kon hij nog enige tijd voor Kampen behouden blijven. In 1691 vertrok hij echter toch in verband met  zijn benoeming in Alkmaar, waar hij in 1687 al eens eerder als keurmeester voor het klokkenspel was opgetreden. Hij kreeg bij zijn sollicitatie aldaar een zeer goede beoordeling. Hij wist, zo meldde men “den orgel meesterlijck te handelen met de meeste genoegen voor het gemeen”, en was bovendien “oock van goede comportement (gedrag)”. Verder werd aangevoerd dat Kempher als klokkenist het voordeel had dat hij een zwaar klokkenspel van wel 50.000 pond gewend was (bedoeld werd het klokkenspel van de Nieuwe Toren te Kampen) en dat hij “dingen op de klocken doet die hem niemant nae sal doen, verder dat hij alles voor de vuijst speelt”. Tot zijn overlijden in 1701 bleef hij organist van de St.-Laurenskerk aldaar. Over zijn overlijden werd geschreven dat hij in dronkenschap gestorven was en in die toestand op het kleine orgel was gevonden. Zijn zoon Gerard Kempher werd rector van de Latijnse school te Alkmaar. Tijdens het organistschap van Kempher sr. in Kampen werd het orgel verplaatst van de noordelijke muur naar de torenwand.

Theodorus Holtius (1691-1700)

Als opvolger van Kempher was in eerste instantie Helmich Bakker uit Monnikendam benoemd, maar deze kwam nog voor zijn komst naar Kampen te overlijden. In zijn plaats werd toen Theodorus of Derck Holtius aangesteld, sinds 1681 organist van de Bergkerk te Deventer. Holtius had in 1684 ook waargenomen voor de toen zieke organist van de Grote Kerk in Deventer, Jurrien of Georg Berff. Daarbij was afgesproken dat Holtius de betrekking van Berff zou krijgen na diens overlijden. Door onbekende oorzaak is dit niet gebeurd, want in 1691 werd een ander als opvolger van Berff te Deventer benoemd. Vermoedelijk is dat de reden geweest voor Holtius naar de functie in Kampen te solliciteren. Zijn traktement in Kampen bedroeg 450 gulden per jaar.

Luichjen Wolters (1700-1705)

Nadat aanvankelijk een zekere Brouwer als organist was aangenomen en deze had bedankt, werd de in Groningen geboren Luichjen Wolters aangesteld. Van hem weten we behalve dat hij op 4 februari 1701 in het burgerboek van Kampen werd ingeschreven en in 1705 na een benoeming in Groningen weer naar zijn geboortestad vertrok, niets.

Jan Nicolaas Berff (1705-1736)

Deze organist, van wie het niet ondenkbaar is dat hij familie was van Jurrien of Georg Berff, die van 1666 tot 1691 organist was ‘van de Grote Kerk in Deventer, werd in 1700 eerst benoemd tot organist van de Waalse of Franse Kerk. Vijf jaar later volgde zijn aanstelling van de Bovenkerk, tegen het in vergelijking met zijn voorgangers beperkte salaris van 325 gulden per jaar. Vermoedelijk hing dit samen met de financiële moeilijkheden waarin de kerk in deze jaren verkeerde. Berff was ook torenblazer. Bovendien componeerde hij. Als orgeldeskundige kwam hij in 1716 naar Meppel om daar het orgel van Jan Harmens Kamp te keuren. Hij overleed in September 1736 en werd begraven in de Bovenkerk.

Bernardus Breunissen (1737-1740)

Voor de opvolging van Berff werd een uitvoerige procedure gevolgd, waarvan een omvangrijk verslag is gemaakt door burgemeester Rogier Sabe. In de zomer van 1737 werden advertenties geplaatst, waarop 11 sollicitaties binnenkwamen. Onder de sollicitanten waren bekende namen als Laurens Sickel uit Amsterdam, later organist in Bergen op Zoom; Dominicus Jaersma uit Maassluis (1733-1753) en M.E. Heinsius uit Arnhem. Ook de jonge Kamper organist Willem Bruinier deed mee. Hij bleek al ver gevorderd, maar nog niet goed genoeg. Als examinator trad op A.C. Stegwey, organist van de Grote Kerk te Zwolle (1737-1775). Uiteindelijk bleek Bernard Breunissen uit Bergen op Zoom de beste als organist, maar vooral als klokkenist. De benoeming vond plaats op 9 november 1737. Als salaris werd afgesproken een bedrag van 400 gulden per jaar. Tot het “examen” had ook een muziekles behoord, want de organist moest ook de wekelijkse repetities verzorgen van het “Musyeq Collegie”, oftewel het stedelijk orkest, een amateurensemble dat met steun van de door de stad aangestelde musici openbare concerten gaf. Breunissens taak werd in dat opzicht omschreven als: ” [ … I en aldaer het musyeq mede te exerceren als mede om de jonge jeugt althier des begeert wordende in deselve te oeffenen.” In 1739 werd Breunissen ingeschreven als lidmaat van de Gereformeerde Kerk. Lang had men in Kampen geen plezier van de nieuwe organist. Al na drie jaar kwam hij te overlijden. Op 17 oktober 1740 werd hij begraven in de Bovenkerk.

Willem Bruinier Jz. (1741-1745)

Willem Bruinier was een zoon van Jan Bruinier, koster-organist van de Waalse Kerk te Kampen. In juni 1709 werd hij burger van de stad. In 1740 viel Bruinier, die bij het “examen” van 1737 als tweede na Breunissen was geëindigd, in voor de overleden organist. Op 3 juni 1741 volgde zijn benoeming, eveneens op een salaris van 400 gulden per jaar. In hetzelfde jaar solliciteerde Bruinier ook in Delft. Hij werd hier opnieuw tweede van in totaal 17 sollicitanten en bleef zodoende nog enige tijd in Kampen. In zijn tijd werd het orgel in de Bovenkerk door A.A. Hinsz vemieuwd en uitgebreid. Op 10 oktober 1743, toen het nog niet geheel was afgewerkt, maar al wel kon worden bespeeld, keurde hij het orgel, samen met Hendrik Redeker. In September 1744 werd Willem Bruinier ingeschreven als lidmaat van de Gereformeerde Kerk te Kampen. Vreemd is dat hij al op 28 november 1745 met attestatie naar Enkhuizen vertrok, waar hij was benoemd tot organist van de St.-Gomarus of Westerkerk. Daarnaast zou hij er werken als beiaardier. Bruinier bleef in Enkhuizen tot aan zijn dood in 1786. Hij werd er stamvader van een reeks organisten en klokkenisten. Het instrument dat Bruinier te Enkhuizen te bespelen kreeg was een orgel uit 1547 van Hendrick Niehoff. Wellicht kon hij het moderne orgel van Hinsz niet zo waarderen.

Caspar Berghuijs (1745-1786)

Bij het aantreden van deze organist werden de taken van de stadsorganist nog eens op een rijtje gezet: behalve de kerkdiensten moest hij iedere zaterdag van twee tot drie uur op het orgel spelen, twee maal in de week, op maandag- en donderdagochtend op de klokken spelen en verder zorg dragen voor de gang van zaken rond het stedelijk orkest. Berghuijs was een zoon van Dirk Berghuijs en Maria Pachels. Hij was geen lidmaat van de Gereformeerde, maar van de Lutherse Kerk te Kampen. Op 12 april 1748 werd hij daar ingeschreven. Wellicht mag dit worden opgevat als een teken van de veranderende tijdgeest en de veranderende houding tegenover andere religies. Berghuijs’ traktement bedroeg 400 Carolus guldens per jaar. Hij was bekend met de in 1746 overleden Amsterdamse organist G.E Witvogel, zo blijkt ons uit de bronnen. In 1783, toen zijn hoge leeftijd hem parten begon te spelen en hij steeds minder kon zien, sloot hij een overeenkomst met Cornelis Buys, waarin werd bepaald dat deze zijn diensten als organist zou waarnemen. Op 4 december 1784 maakte hij een testament. Twee jaar later kwam hij te overlijden; hij werd op 3 juli 1786 in de Bovenkerk begraven.

Comelis Buys (1786-1791)

Hij werd op 17 juni 1757 geboren te Amsterdam, als zoon van Cornelis Buys en Leysie Smith. In 1783 werd hij plaatsvervanger voor Caspar Berghuijs. In juli 1786 volgde hij hem op als organist, klokkenist en stadsmusicus. Buys had patriottische sympathiën. Vóór 1786 was hij muzikant in de compagnie van de Majoor Tengnagel bij het Regiment Cavallerie, onder Luitenant-Generaal Jan Willem de Famars. In 1786 maakte hij voor het Patriottische exercitiegenootschap “Voor Vrijheid en Eendragt” twee marsen: de Parademars en de Bataillemars. De tekst van de marsen werden gevormd door gedichten van de “donderpoëet” Jan Louis van Laar Mahuet. Bij de tocht naar Hattem in 1787 werd Buys gevangen genomen door de Pruisen die de in het nauw gedreven stadhouder Willem V te hulp waren gekomen. Buys werd naar Wesel gevoerd, maar wist te ontsnappen en kwam naar Overijssel terug, eerst naar Deventer en vervolgens naar Kampen. Tijdens zijn organistschap werd het orgel van de Bovenkerk uitgebreid met een vrij Pedaal en, boven bestek, met een klein Borstwerk. Hij moet een knap musicus geweest zijn, die behalve orgel ook hoorn, trompet, viool, altviool en piano kon spelen. Omdat hij zijn positie kon verbeteren, ging hij in 1791 naar Zaltbommel waar hij de functies vervulde van organist, klokkenist en stadsmusicus. Samen met Alijda Brandts, met wie hij in 1825 in het huwelijk zou treden (het was zijn tweede huwelijk) kreeg hij in 1812 een zoon, Cornelis Alexander Brandts, die zich later Brandts Buys ging noemen. Deze Cornelis Alexander werd de stamvader van het bekende geslacht Brandts Buys, dat in de negentiende en twintigste eeuw op muzikaal gebied via vele familieleden vermaardheid verwierf. Cornelis Buys overleed in Zaltbommel op 2 maart 1831.

Cornelis Berghuis (1791-1804)

Deze organist, in 1762 in Kampen geboren als zoon van Herman Berghuis en Jacobje Geurts, was vóór zijn aanstelling bij de Bovenkerk, organist in lJsselstein. Zijn eerste aanstelling had hij al op 17-jarige leeftijd gekregen in de Oude- of Mariakerk in Apeldoorn. Hij kreeg daar een “fortabel tractement” van de vorstelijke schenkers, reden waarom hij ook moest assisteren bij de concerten op ’t Loo. Berghuis was lidmaat van de Hervormde Kerk, zoals de Gereformeerde Kerk inmiddels genoemd werd. Bovendien was hij lid van de Kamper vrijmetselaarsloge ‘Le Profond Silence’. Hij trouwde op 17 december 1793 met Caatje van Groningen. Te Kampen kreeg hij zes kinderen. Behalve organist was hij – evenals zijn voorgangers – klokkenist, stadsmuziekmeester en muziekleraar. Berghuis was patriottisch gezind. Niet voor niets speelde hij in 1795 na de intocht van de Fransen met veel genoegen “de Marseillaansche marsch” op het Kamper carillon. Hij werd in de jaren hierna tot twee maal toe in de municipaliteit gekozen. Wellicht in verband met de hierdoor ontstane afgunst kreeg hij in 1797 een officiële berisping, zogenaamd omdat hij niet vaak genoeg als solist optrad met het stadsorkest – in welke kring in 1796 al eens ruzie was ontstaan over het eigendom van de instrumenten, de rnuziek en dergelijke van het orkest. In 1798 stuurde hij een request naar de “municipaliteit” om de hem in 1797 overkomen “bejegeningen” ongedaan te maken, maar het stadsbestuur gaf hem de raad “door de edele toonkunst harmonie in aller harten aan te kweken”. In 1800 kreeg de organist alsnog eerherstel en werd de berisping uit 1797 formeel ingetrokken. Hierbij werd zelfs nadrukkelijk bepaald dat “in de uitoefening van de vreije kunsten, en voornamelijk in de Toonkunst” dwang uit den boze was.

Op een bijeenkomst der Latijnse school in 1802 zong Berghuis samen met zijn vrouw een duet. Toen hij in 1804 naar Deventer dreigde te vertrekken, bood de magistraat aan, zijn salaris te verhogen van 400 gulden naar 600 gulden. Hij vertrok niettemin in oktober van hetzelfde jaar met attestatie naar die stad, waar hij als organist en klokkenist 650 gulden kon verdienen. Berghuis was op dat moment at enige jaren werkzaam in Deventer als “Orchestdirecteur” van “Unis par les Sons de la Musique” (I 793-1808). In 1807 verliet hij Deventer weer in verband met zijn benoeming tot organist te Alkmaar. Hier overleed hij in 1816.

Jan Herman van der Dussen (1805-1859)

Na een interimperiode, waarin de organist van de Waalse Kerk, L. Verwer tijdelijk organist was van de Bovenkerk, werd de uit Arnhem afkomstige Jan Herman van der Dussen benoemd. De jonge Van der Dussen, hij was op 30 September 1782 geboren in Arnhem als zoon van de organist van de Grote Kerk aldaar, was vóór zijn benoeming te Kampen organist van de Lutherse Kerk te Arnhem en kapelmeester van ’t Bataafse Burgerwachtcorps. Te Kampen was hij ook dirigent van het zangkoor. Als stadsmuziekmeester droeg hij zorg voor de repetities en concerten van het muziekcollege. Verder diende hij muzieklessen te geven, met een groep muzikanten de promoties op de Latijnse school op te luisteren, openbare (orgel)concerten te verzorgen en zorg te dragen voor alles wat met het muziekcollege te maken had. Zijn salaris bedroeg 600 gulden per jaar. Door de scheiding tussen kerk en staat welke in deze tijd werd aangebracht, verviel in 1809 het ambt van stadsorganist, en daarmee de plicht openbare orgelconcerten te geven. Zijn salaris werd bijgesteld tot 350 gulden per jaar. Van de kerkmeesters ontving hij voortaan nog maar 100 gulden per jaar, alleen bedoeld voor het spelen tijdens de diensten. Dit bedrag liep in 1813 op tot f 150,- en werd in 1821 verhoogd tot f 200, Soms trad Van der Dussen op als keurmeester voor reparatie of nieuwbouw van orgels, bijvoorbeeld in Elburg (1825), Terwolde (1827) en Heerde (1845). Daarnaast schreef hij over kerkmuziek en componeerde hij. Van der Dussen huwde met Johanna Geertruide Zegers. Van zijn kinderen trad Frederik in het voetspoor van zijn vader. Hij werd eerst organist van de Doopsgezinde Kerk te Kampen (1833-1843) en vervolgens van de Grote Kerk te Harlingen, in welke stad hij tevens muziekdirecteur was. Uit 1858 is bekend dat Frederik optrad als keurmeester van het orgel te Kimswerd. In 1855 vond de feestelijke viering van het 50-jarig jubileum van Jan Herman van der Dussen als organist te Kampen plaats. Hij overleed op 15 februari 1859.

Zwier van Dijk (1859-1894)

Van Dijk trad in 1848 naar voren als hersteller van het orgel in de Broederkerk te Kampen. Geboren in Kamperveen, verhuisde hij in 1856 naar Kampen, waar hij zich overigens in eerste instantie afficheerde als horlogemaker. Vermoedelijk hing de benoeming van Van Dijk minder samen met zijn kwaliteiten als organist (daarover werden geen gegevens gevonden, hij deed ook nooit van zich spreken als concertgever, dit in tegenstelling tot zijn collega van de Broederkerk, WR. Hauff) dan met zijn kwaliteiten als orgelbouwer. Hierdoor kon de kerkvoogdij immers tegen geringe kosten rekenen op goed onderhoud en stemwerk en deugdelijke reparaties en nieuwbouw. Zijn salaris bedroeg f 200,-. Aanvankelijk ontving hij voor het stemmen van orgels f 50,- per jaar. In 1872 werd dit bedrag verhoogd tot f 75,-. Op 30 december 1866 trad hij in het huwelijk met Elsjen Proper uit Heerde. Dit huwelijk bleef kinderloos. Van Dijk associeerde zich later met zijn neef Jan Proper. Hij kwam in 1894 te overlijden.

Jan Proper (1894-1919)

De constructie dat een orgelmaker als organist fungeerde beviel blijkbaar goed, want Van Dijks associé werd tot zijn opvolger benoemd. Proper fungeerde enige tijd als organist in de afgescheiden gemeente van Hoksbergen. In 1870 deed hij mee aan een vergelijkend examen voor organist van de Broederkerk. Van 1877 tot 1894 was hij organist van de Burgwalkerk. Zijn salaris ving in 1894 aan met f 200,- per jaar. In 1906 werd dit verhoogd tot f 250,- en in 1917 tot f 275,-. Voor het stemmen van twee orgels ontving hij f 75,- op jaarbasis, met de verplichting jaarlijks enkele orgelconcerten te geven. Van zijn kwaliteiten als organist weten we weinig. Proper trad slechts bij uitzondering op als concertgever. Het maken van orgels leerde hij bij zijn oom Zwier van Dijk, vermoedelijk vanaf 29 mei 1871 toen hij van Heerde naar Kampen kwam. Omstreeks 1880 komen we Proper echter ook als zelfstandig orgelmaker tegen. Jan Proper overleed op 4 november 1922.

Dirk Jan Proper (1919-1946)

Dirk Jan Proper, het enige kind van Jan Proper dat in leven bleef, was geboren op 31 augustus 1887. In 1915 behaalde hij het getuigschrift voor organist van de Nederlandsche Organisten Vereeniging. Hij huwde met H. Allon. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Toen zijn vader op 1 juni 1919, na vijfentwintig jaar als zodanig werkzaam geweest te zijn, ontslag had genomen als organist van de Bovenkerk, volgde Dirk Jan hem op. Dirk Jan werkte mee in de orgelmakerij van zijn vader en zette het bedrijf nadat zijn vader zich in 1918 had teruggetrokken nog enige tijd zelfstandig voort, maar het betrof vooral onderhoud en stemwerk. Na enige tijd werd de orgelmakerij overigens, in verband met moeilijkheden met het personeel, toch opgeheven. Zijn voornaamste knecht, Jacob van Lochem begon voor zichzelf te werken. In 1936 klaagde organist H. Nijhof van de Broederkerk over het onderhoud en het stemmen van de orgels. Proper verweerde zich door op te merken dat hij alleen voor het stemmen verantwoordelijk was. In 1937 kwamen er ook klachten over zijn orgelspel, voornamelijk van de zijde der predikanten. Toch bleef hij tot 1946, toen hij om gezondheidsredenen bedankte, als organist in functie. Zijn salaris bedroeg f 275,- per jaar. Daarnaast ontving hij jaarlijks f 100,- voor het stemmen van twee orgels. In 1949 verhuisde Proper naar Ommen, waar hij 6 februari 1964 overleed.

Theodorus Willem van Dijk (1946-1951)

Th.W. van Dijk werd geboren Kampen 3 September 1906. Met hem begon een nieuwe generatie organisten in de Bovenkerk. Van Dijk was een muzikaal veelzijdig ontwikkeld man. Hij studeerde orgel bij de bekende organist Hendrik Kruithof en later bij Johan Vetter te Groningen. Hiernaast kreeg hij vioolles van de violist J.W. Zwolle, de organist van de Doopsgezinde Kerk, en studeerde hij voor klokkenist bij Joh.W. Meyll, beiaardier te Nijkerk. Hij trouwde op 21 december 1933 met Hermiena Riesebos (1907- 1970). Evenals hij was ook zij van Kampense origine. Tevens oefenden zij beiden hetzelfde beroep uit, dat van manufacturier. In 1936 werd Van Dijk organist van de Gereformeerde Nieuwe Kerk, in 1944 van de Gereformeerde Westerkerk. In 1939 werd hij benoemd tot stadsbeiaardier van Kampen. In 1940 adviseerde hij de Gereformeerde kerk te lJsselmuiden bij de aankoop van het orgel uit de Waalse kerk in Groningen. Organist van de Bovenkerk bleef hij stechts kort. Hij overleed op 3 augustus 1951, nog maar 45 jaar oud.

Gradus Wendt (1951-1954)

Gerhardus Christiaan Wendt werd op 10 September 1914 geboren te Hattem. Hij genoot zijn opleiding bij Feike Asma. Vóór zijn benoeming in 1951 te Kampen was hij organist in Hattem en Zwolle (Oosterkerk). Hij had zodoende een reputatie in de regio opgebouwd. Bij zijn benoeming speelde waarschijnlijk ook een rol dat zijn leermeester Feike Asma in Kampen bekend was, omdat hij regelmatig in Kampen concerteerde. In 1954 emigreerde Wendt naar Zuid-Afrika. Wendt overleed in 1996.

Willem Hendrik Zwart (1954 tot 1995)

W.H. Zwart werd 26 mei 1925 geboren te Zaandam, als zoon van Jan Zwart en Catharina Zwart. Zijn vader, Jan Zwart (1877-1937), was van 1898 tot zijn overlijden in 1937, organist van de Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk te Amsterdam. Daarnaast was hij een bekend auteur en componist van geestelijke muziek. Als organist kreeg hij grote bekendheid, mede door zijn wekelijkse orgelbespelingen voor de N.C.R.V-microfoon. W.H. Zwart kreeg les van Simon C. Jansen, George Stam, Willem Mudde en Herman Strategier. Vóór zijn benoeming te Kampen was hij organist van de Hervormde Kerk te Coevorden (1945-1954) en voor korte tijd van de Sionskerk te Groningen. in Kampen werd hij bekend door de donderdagavond-orgelbespelingen en zaterdagmiddag-orgelbespelingen met bezoek aan de klavieren van het historische Hinsz-orgel. Hij is, behalve als organist en muziekdocent ook bekend als concertgever in binnen- en buitenland en als orgeladviseur, dirigent, componist en auteur. Op 14 april 1992 ontving hij uit handen van H.C. Kleemans, burgemeester van Kampen, de erepenning in goud van de stad Kampen. Op 29 april 1993 werd hij geridderd in de Orde van Oranje-Nassau. Door zijn arbeid kreeg Kampen bekendheid als orgelstad. W.H. Zwart trad op 13 maart 1956 in het huwelijk met Johanna Margaretha Hofland. Willem Hendriks zoon Everhard, geboren op 5 augustus 1958 te Emmen, koos evenals zijn vader een muzikale loopbaan. Na een opleiding aan de conservatoria te Utrecht en Rotterdam is hij nu organist en koorleider te Capelle aan de IJssel. Zijn anderhalf jaar oudere broer Jan Quintus (geboren op 20 februari 1957 in Emmen) voert het muzieklabel JQZ Muziekproducties Kampen en is eveneens koorleider. W. H. Zwart overleed in 1997.

Ab Weegenaar (1995 tot heden)

Ab Weegenaar (1953) studeerde fagot aan het Stedelijk Conservatorium in Groningen. In 1974 sloot hij deze studie af met een onderscheiding voor solospel. Aan hetzelfde conservatorium studeerde hij ook orgel en rondde deze studie af in 1980 als leerling van Wim van Beek. Bij Kees van Eersel volgde hij lessen in het kerkelijk orgelspel en verkreeg te Utrecht zijn eerstegraads bevoegdheid als kerkmusicus. Als koorleider studeerde hij af aan de Hogeschool IDE te Gorinchem Als organist oriënteerde hij zich bij Stef Tuinstra, Charles de Wolff en Theo Jellema.

Als fagottist was Ab Weegenaar werkzaam bij het voormalig Noordelijk Filharmonisch Orkest, het Residentie Orkest en als solo-fagottist bij Het Gelders Orkest. Vanwege tijdgebrek heeft hij deze werkzaamheden beëindigd.Als cantor-organist was hij o.a. verbonden aan kerken te Zeerijp, Groningen, Eelde, Leidschendam, Arnhem en de Grote Kerk van Wageningen. Medio 1995 volgde de aanstelling als hoofdorganist van de Bovenkerk te Kampen. In die functie is hij bespeler van het Hinsz-hoofdorgel en van het Reil-koororgel. Verder is hij als koorleider actief bij een drietal koren en heeft een omvangrijke (privé) orgellespraktijk.

Er zijn veel CD’s van hem verschenen, vooral vanuit de Bovenkerk. Samen met Klaas Jan Mulder nam hij een tweetal CD’s op waarop hij als fagottist is te horen. Hij werkte ook mee aan radio- en televisieuitzendingen maar is ook te beluisteren én te zien op twee DVD’s die zijn opgenomen met nog vier collegae op de orgels van de Bovenkerk. Op jaarbasis geeft Ab Weegenaar vele concerten in Nederland maar ook daar buiten. Zo maakte hij in 2005 een concertreis naar het verre Siberië (Rusland). Kijk voor meer informatie op zijn website: www.abweegenaar.nl.

Uit ‘Orgels en organisten in Kampen’ – W.D. van der Kleij en W.H. Zwart (1995). Met toestemming van uitgeverij IJsselacademie uit Kampen overgenomen. Zie ook www.ijsselacademie.nl.