Reeds is gezegd, dat wij niet exact weten, wanneer men met de bouw van deze hallenkerk is begonnen, noch wanneer zij werd voltooid. Ter Kuile meent, dat zij nog geen eeuw in gebruik is geweest, maar die schatting lijkt mij aan de ruime kant, tenzij men aanneemt, dat de hallenkerk reeds vroeg in de tweede helft van de 13de eeuw gebouwd werd.

Want omtrent het midden van de 14de eeuw zijn in de Kamper stadsboeken reeds aanwijzingen te vinden, dat men plannen koesterde – die wellicht al in het beginstadium gerealiseerd waren – om de bestaande vroeg-gotische kerk geheel te verbouwen. Het zal wel geen toeval zijn, dat deze berichten samenvallen met het begin van Kampens grote tijd, waarin haar schepen, getooid met de stadskleuren wit en blauw, schier alle belangrijke havens, gelegen aan de Noord- en Oostzee, aandeden en haar schippers tot voorbij Keulen voeren.

Berichten uit de jaren 1343 en 1345 maken melding van grondaankopen door de kerkmeesters van de St.-Nicolaaskerk om in de toekomst hun kerkhof (om de kerk gelegen) te vergroten, tevens van leningen die hun door het stadsbestuur werden verstrekt. Het eerstgenoemde zou nog kunnen wijzen op grondgebrek om de doden te begraven ten gevolge van een snelle bevolkingsgroei, maar het is ook heel goed mogelijk dat de kerkmeesters deze uitbreiding noodzakelijk achtten met het oog op een toekomstige uitbreiding van hun kerk, waarvoor immers een deel van hun kerkhof opgeofferd zou moeten worden. De lening van “hundert punt swarten”, een flink bedrag in die tijd, spreekt al duidelijker taal, maar zekerheid over een ophanden zijnde verbouwing van de oude hallenkerk krijgen wij pas bij het lezen van een contract, dat de stad omstreeks het midden van de 14de eeuw met een zekere Mr. Herman de Steenbicker en diens broer sloot.

Uit deze overeenkomst blijkt, dat beide broers beloofden de bouw van de St.-Nicolaaskerk voort te zetten. De ene broer, vermoedelijk Mr. Herman, zou op het werk blijven en helpen “houwen en werken”, de andere broer zou op en af gaan om te controleren of alles wel volgens de plannen verliep. Beide broers zouden het burgerrecht krijgen en levenslang in het huis, dat zij hadden betrokken, mogen blijven wonen. Ook behoefden zij geen belasting te betalen of krijgsdiensten te verrichten.

Uit het bovenstaande blijkt heel duidelijk, dat Mr. Herman en zijn niet bij name genoemde broer, een werk van zeer lange duur hadden aangenomen en dat de verbouwing van de kerk dus zeer ingrijpend moest zijn.

Bijzonderheden over deze broers zijn niet bekend. Werd het contract in 1343 getekend, zoals de voormalige archivaris van Kampen J. Don aanneemt, dan kunnen zij identiek zijn met een zekere Herman en een zekere Christiaan, die in deze tijd ook in verband met de kerk worden genoemd. Heeft echter archivaris D. van der Viis, die meent dat de overeenkomst in 1351 werd gesloten, het bij het rechte eind, dan is deze identiteit vrijwel uitgesloten in verband met het verlenen van burgerrechten.

Eén ding is zeker, de beide broers waren stellig geen Kampenaren! Ook R. Meischke, de schrijver van het werkje “Drie kerken van Rutger van Kampen”, is deze mening toegedaan. Hij gelooft dat Mr. Herman en zijn broer erkende bouwmeesters van kerken zullen zijn geweest, wellicht uit de Rijnstreken afkomstig. Volgens deze auteur moet Kampen met de komst van beide broers een echte bouwloods hebben gekregen, een permanente werkplaats, waar de tekeningen gemaakt werden en bewaard bleven. Maar waarin ook het steenhouwerswerk werd verricht. En dat alles onder leiding van een meester die voor het leven was aangesteld, die een grote bouwkundige kennis bezat en die de geometrie had bestudeerd.

Het is uitgesloten, dat Mr. Herman en zijn broer de voorgenomen verbouwing van de St.- Nicolaaskerk tot een goed einde hebben gebracht. Want in 1369 sloot het Kamper stadsbestuur opnieuw een contract af, dat op de verbouwing van de hallenkerk betrekking had. Maar nu met een andere meester, namelijk met Rutger van Keulen.

In tegenstelling met Mr. Herman en diens broer is, dank zij recent speurwerk, vrij veel over de persoon van deze Mr. Rutger van Keulen bekend. De naam zegt al, dat hij uit Keulen kwam. Zijn vader, Michael van Savoye, treffen we daar in 1353 aan als een der bouwmeesters van de beroemde Dom. In diens bouwloods zal de zoon de nodige ervaring hebben opgedaan. De Van Savoye’s waren tevens verwant met een ander destijds zeer beroemd geslacht van kerkbouwers, namelijk de Pariers. Een andere zoon van Michael van Savoye, eveneens Michael genaamd, was namelijk gehuwd met een zuster van Peter Parler. En die Peter Parler heeft vele kerken in Zuid-Duitsland gebouwd en een belangrijk aandeel gehad in de bouw van de beroemde St. Veith domkerk te Praag. Het was dus niet de eerste de beste met wie de stad in 1369 een contract afsloot om de St.-Nicolaaskerk te Kampen verder af te bouwen.

En dit blijkt ook wel uit de overeenkomst met Mr. Rutger. De Keulenaar verplichtte zich als “werckmeister”, zowel de St.-Nicolaas- als de O.L.V.- kerk “to feysierne ende to berichten in der meyster vorme”, hetgeen zeggen wil, dat hij met het toezicht werd belast om beide kerken volgens de plannen in orde te maken. Hij zou hiervoor zowel van de kerkmeesters van de St.-Nicolaas- als van de O.L.V.-kerk salaris ontvangen, gedeeltelijk uit te betalen in geld, gedeeltelijk in natura (laken!). Voorts zou Rutger, indien hij dit wenste, de toren mogen betrekken waarin Mr. Herman had gewoond, en wel met de uitdrukkelijke beperking, dat hij deze niet mocht verhuren. Tevens werd hem toegestaan een boerderij, gelegen bij de O.L.V.-kerk, te gebruiken indien de werkzaamheden aan die kerk dit noodzakelijk maakten. En tenslotte, evenals Mr. Herman en diens broer, werd hij voor het leven aangesteld met vrijdom van belasting en vrijstelling van krijgsdienst.

Bij het bestuderen van deze overeenkomst rijst onmiddellijk de vraag of Rutger van Keulen zich tijdens het afbouwen van de kerk moest houden aan een bestaand plan dat nog door zijn voorgangers was ontworpen, of aan een door de geestelijkheid en stad goedgekeurd eigen ontwerp. Gelet op het contract, dat de stad in 1351 of enige jaren eerder met Mr. Herman en diens broer sloot, ben ik geneigd aan een reeds bestaand plan te denken, maar dit sluit evenwel niet uit, dat Rutger van Keulen hierin later wijzigingen heeft aangebracht.

In 1369 was deze meester namelijk al geruime tijd in Kampen, reeds in 1363 had hij het burgerrecht van deze stad veroverd. Meestal behoefden belangrijke of nuttige personen slechts enkel jaren op dit voorrecht te wachten, zodat de komst van Mr. Rutger omstreeks het jaar 1360 plaats gevonden zal hebben. Hij had toen zijn leertijd in de Keulse bouwloods juist achter de rug en was dus zeer jong toen hij Kampen binnenkwam.

Daar, zoals uit het contract blijkt, Rutger de toren mocht betrekken waarin Mr. Herman “plach” te wonen, kunnen we wel aannemen, dat deze Herman in 1369 al overleden was, of zich had teruggetrokken. Hetzelfde geldt voor zijn broer;deze wordt in de overeenkomst helemaal niet meer genoemd.

lnteressant is zeker ook, dat Rutger van Keulen wel Hermans woning mocht betrekken, maar dat het hem uitdrukkelijk verboden werd deze te verhuren. Die restrictie zal zijn gemaakt omdat het hem toegestaan was ook elders werk aan te nemen, maar de stad er niets voor voelde dat hij tijdens zijn afwezigheid huur zou beuren van een woning, die hem kosteloos ter beschikking was gesteld. Dit was niet slecht bekeken, want de Keulenaar is een ambulant man geweest, zo werkte hij notabene reeds in de winter van 1373-’74 met zijn broers aan de Dom van Praag.

Op grond van al deze gegevens, zou nu het volgende verondersteld kunnen worden. In 1351 (?) kregen Mr. Herman de Steenbicker en diens broer opdracht te zorgen dat de verbouwing van de St.-Nicolaaskerk doorging, waarbij Hermans broer er op moest letten, dat het werk naar bestaande plannen werd uitgevoerd. Houden we vast aan dat jaartal 1351, dan kunnen deze plannen nog afkomstig zijn geweest van de reeds eerder genoemde Herman en Christiaan. Heeft Don gelijk, dan kunnen zij al in 1345 door Mr. Herman en diens broer zijn ingediend en gaat het hier om dezelfde personen.

Waarschijnlijk overleed de broer van Herman de Steenbicker omstreeks 1360, waarna de stad de jonge Mr. Rutger van Keulen aantrok om zijn plaats in te nemen.

Toen ook Mr. Herman was gestorven, sloot de stad in 1369 het bewuste contract met onze Keulenaar, die toen al negen jaar lang in Kampen bewezen had een zeer bekwaam kerkbouwer te zijn. Zou deze ervaren bouwkundige met belangrijke internationale relaties, toen hij het rijk alleen kreeg, niet zijn stempel zijn gaan drukken op de verdere bouw?

Bij al deze onzekerheden, staat echter wel één ding vast: in de tweede helft van de 14e eeuw werd het machtige koor met omgang en kapellenkrans van onze Bovenkerk gebouwd, dat nu nog het indrukwekkendste gedeelte van dit gebouw vormt. Het is ongetwijfeld een meesterwerk maar ook een technisch waagstuk, want weer moest op een daarvoor feitelijk ongeschikte ondergrond worden gebouwd. Alleen de beide oostelijke kruispijlers en de twee die daarop volgen, rusten nog op de zware fundering van de voormalige hallenkerk. (figuur c).

figuur-c-het-basilicale-koor

Figuur c – Het basilicale koor

Ter Kuile is ervan overtuigd, dat vrijwel het gehele koor volgens de plannen van Rutger van Keulen is gebouwd. Hij verdedigt deze opvatting door te wijzen op de grote stijlovereenkomst van dit gedeelte van de kerk met de zo typische Parler-achitectuur, zoals de zevenzijdige koorsluiting en de krans van rechthoekige kapellen rondom de kooromgang. Wel constateert hij stijlverschillen: de blinde traceringen in de zijwanden der kapellen zijn nog zuiver geometrisch, de vensters van de koorlantaarn flamboyant.

Andere kunsthistorici, zoals Meischke en Elzenga, die een studie van de Bovenkerk hebben gemaakt, zijn er niet zo zeker van, dat het hele koor naar de inzichten van Rutger van Keulen is gebouwd. Zij menen, dat het ontwerp wel degelijk afkomstig kan zijn van Mr. Herman en diens broer maar dat, toen Mr. Rutger in 1369 alleen de supervisie over de bouw kreeg, deze wel zijn stempel op de koorlantaarn heeft gedrukt. Te oordelen naar de helaas spaarzame gegevens, ben ik geneigd mij bij de opvattingen van Meischke en Elzenga aan te sluiten. Het komt mij zeer onwaarschijnlijk voor, dat omstreeks 1360 de toen nog bloedjonge Rutger van Keulen al de kans zou hebben gekregen, een bestaand ontwerp van de tekentafel te vegen of er aan te tornen.

Het bouwkundig onderzoek in de jaren 1957-1972 heeft aangetoond, dat de muren van het zo hoog oprijzend koor van de Bovenkerk eens geschraagd moeten zijn door luchtbogen. De voetstukken heeft men in de damwanden van de kapellenkrans teruggevonden. Wanneer deze luchtbogen afgebroken zijn, weet men niet. Ter Kuile neemt aan, dat zij niet alleen door latere verzakkingen zijn geruïneerd, maar ook hun eigen ondergang hebben bewerkt door het muurwerk der kapellen naar buiten te drukken. Na hun verdwijnen moesten in de kerk trekbalken hun functie overnemen. In dit verband is het interessant, dat op een prent van Braun en Hogenberg, waarop Kampen omstreeks 1580 is afgebeeld, de Bovenkerk nog met luchtbogen is afgebeeld. Maar betrouwbaar is deze afbeelding niet, zodat de fantasie de makers parten kan hebben gespeeld.

Behalve de aanwezigheid van luchtbogen, moet er eens een fraaie balustrade vóór de goot van de kapellenkrans hebben gelopen. Dankzij enige aanwijzingen over de oude toestand, werd deze opnieuw aangebracht.

Reeds vóór de restauratie was het opgevallen, dat één kapel van het koor die ten oosten van de derde kapel lag, in enkele opzichten afweek van de overige. Later bleek, dat deze was ontstaan door een samenvoeging van een voormalige uitspringende sacristie en een terugwijkende bovenruimte, die door een spiltrap was te bereiken. Die bovenruimte diende waarschijnlijk voor het opbergen van kerkschatten (tresorkamer) of kostbare boeken of missalen (librarie). Ook hier beschikte men over voldoende gegevens om de oude situatie te herstellen.

Op het eerste gezicht zou men kunnen menen, dat onder de hoge ramen van, de koorlantaarn slechts een versiering en niet de gebruikelijke omgang, het triforium, is aangebracht. Kijkt men echter goed, dan blijkt dit triforium wel degelijk aanwezig te zijn, zij het dan ook in een sterk gereduceerde vorm en zonder balustrade. Een echte functie zal het nooit hebben gehad.

Magistrale Koor van de Bovenkerk

Magistrale Koor van de Bovenkerk

Vele jaren moet men aan dit prachtige koor hebben gewerkt, waarschijnlijk na 1369 steeds onder supervisie van Rutger van Keulen. Niet, dat deze meester al die tijd in Kampen verbleef, wij hebben reeds vernomen, dat hij in de winter van 1373-’74 met zijn broers aan de Dom van Praag werkte. Meischke heeft aangetoond, dat deze Kamper bouwmeester ook betrokken is geweest bij de bouw van andere Nederlandse kerken, zoals de O.L.V.-kerk te Harderwijk, de Nieuwe kerk te Amsterdam en de St.-Pieter te Leiden. In de rekeningen van de laatstgenoemde kerk wordt hij nog in 1402 genoemd, kort daarop zal hij zijn overleden. Maar dank zij hem, kan Kampen er zich op beroemen tijdens de Middeleeuwen bijna gedurende een halve eeuw een bouwloods te hebben bezeten, waarvan de roem tot in Holland doordrong.

Wanneer het magistrale koor van onze Bovenkerk gereed is gekomen, is niet precies bekend. Enkele aanwijzingen doen vermoeden einde van de 14de eeuw. Zo werd in 1395 een ieder met straf bedreigd die het waagde stenen bij het “nieuwe werk” van de St. – Nicolaaskerk te gooien. En bij stenen gooien bij een kerk, denkt met in de eerste plaats aan beschadiging van glasvensters. Ook werden in dit zelfde jaar de kosten om in het koor te begraven te worden (een voorrecht, dat alleen was weggelegd voor zeer rijken en aanzienlijken) flink verhoogd. Bijzettingen konden dus weer in alle luister geschieden.

Uit ‘Bovenkerk Kampen’ – Dr. C.N. Fehrmann, G. Woning en W.H. Zwart (1978). Met toestemming overgenomen van de Kerkvoogdij der Hervormde Gemeente te Kampen.